Column: De kunst afkijken
In dit artikel:
Tienjarige prinses Beatrix kijkt in 1948 vanaf een bovenraam van Paleis Soestdijk toe hoe nieuwe ministers het bordes opkomen en een kabinet wordt beëdigd. Haar grootmoeder koningin Wilhelmina zat nog op de troon, maar zat aan het eind van haar lange regeerperiode; vanwege gezondheidsklachten trad Juliana al twee keer als regentes op en deed zo onbedoeld ervaring op tijdens formatieperiodes. De column benadrukt dat er geen opleiding bestaat voor het staatshoofd: ervaring en de ondersteuning van een hofhouding vullen dat gat.
In de hedendaagse praktijk is de rol van de ‘directeur van het Kabinet’ cruciaal als schakel tussen paleis en politiek. Christoffer Jonker, door koning Willem‑Alexander aangeduid in die functie, bereidt de wekelijkse gesprekken met de minister‑president voor en zit dicht op het koninklijk beleid. Formeel voert de koning die gesprekken één‑op‑één met de premier; in de praktijk is de koningin Máxima vaak een aanwezige en invloedrijke partner, waardoor het koningschap enerzijds geen duoambt is maar anderzijds niet louter een eenzaam ambt.
De column vergelijkt dat met België, waar koning Filip zijn oudste dochter Elisabeth al ervaring laat opdoen door haar te laten meelopen bij audiënties — de tekst noemt onder meer een ontmoeting met Mark Rutte (de vermelding van Rutte als ‘NAVO‑baas’ lijkt een vergissing; hij is minister‑president van Nederland). Zo wordt de troonopvolger vroeg vertrouwd gemaakt met koninklijke werkzaamheden, naast haar studie en toekomstige functies.
Tot slot gaat de schrijver in op prinses Amalia, die eerder zei dat het koningschap iets voor de verre toekomst is en zich er niet teveel zorgen over te maken. De auteur hoopt dat zij veel bij haar grootmoeder Beatrix terechtkan voor advies en dat Willem‑Alexander zijn dochter af en toe bij dossiers betrekt, zodat ook zij geleidelijk praktijkervaring opdoet vóór het onvermijdelijke moment aanbreekt.