Column: Nieuwe kans voor Pahlavi?
In dit artikel:
Persepolis, oktober 1971: in de woestijn werd een theatrale viering opgevoerd waarin de jonge Farah Diba als keizerin het moderne, cultuurminnende Iran symboliseerde — porselein uit Limoges, koks uit Parijs, vorstelijke gastvrijheid en aandacht voor onderwijs en kunst. Acht jaar later maakte de revolutie van 1979 abrupt een einde aan dat hoofdstuk; de sjah en zijn gezin gingen in ballingschap, de sjah stierf later in Caïro. Voor Farah werd het verlies ook persoonlijk: twee van haar vier kinderen overleden door zelfdoding, een tragedie die haar rol beperkte tot die van moeder, niet íets-prinses of icoon.
Het heden is onvergelijkbaar met het Iran van toen. Veel rechten, met name voor vrouwen, zijn teruggedraaid en het land lijkt op sommige vlakken historisch teruggeworpen. Tegelijk breekt opnieuw tumult uit: de afgelopen maanden laaiden massale protesten op, vooral jongeren die zich verzetten tegen economische uitzichtloosheid en repressief overheidsoptreden. De autoriteiten antwoorden met harde handelingen — afsluiting van internet en communicatie en pogingen de beweging te smoren.
Tegelijk duiken namen op die lange tijd vooral in ballingschap klonken: Reza Pahlavi, de kroonprins zonder macht, profileert zich als stem in de diaspora. Hij presenteert zich niet als automatische terugkeer van de monarchie, maar als voorstander van eerst vrijheid en vervolgens een vrije keuze van het Iraanse volk over staatsvorm (monarchie of republiek). Of Farah (nu in haar late tachtig) of Reza ooit terugkeren als staatshoofd is onzeker, maar het feit dat hun namen weer rondgaan zegt veel: heimwee naar een ander verleden, woede over het heden en een sprankje hoop op verandering.
Context: Reza leeft in ballingschap en vervult vooral een symbolische rol voor delen van de oppositie. De opkomst van koningsgezinde retoriek onder demonstranten toont hoe breed het onbehagen is — mensen grijpen terug naar wat bekend was in de hoop op een ander toekomstperspectief.